cees nooteboom

Nederlands schrijver van romans, poëzie en reisverhalen


31/07/1933 - 11/02/2026

de eeuwige reiziger


' ik stoot tegen de rand van de woorden,
over extase kun je niet spreken'

'Ooit, toen ik nog niet kon weten wat ik nu weet, heb ik voor de beweging gekozen.Later, toen ik meer wist, heb ik begrepen dat ik binnen die beweging de stilte kon vinden die voor het schrijven nodig is'


voorlopige selectie / volgorde nog te bepalen / analyse nog te doen... (copilot)

(1)

bachio III


Nergens in dit heelal heb ik een vaste woonplaats,
schreef hij op zijn hoed van cypressen.
De dood nam zijn hoed af,
dat hoort zo,
de zin is gebleven.

Alleen in zijn gedichten kon hij wonen,
nog even en je ziet de kersenbloesem van Yoshino.
Zet je sandalen maar onder de boom, leg je penselen te rusten,
berg je stok in je hoed, vervaardig het water in regels.

Het licht is van jou, de nacht ook.
Nog even, cypressehoed, en ook jij zult ze zien,
de sneeuw van Yoshino, de ijsmuts van Sado,
het eiland dat scheepgaat naar Sorén over grafstenen golven.


(2)

leeftocht


En op die middag lieten zij de wereld achter.
Langs de weg spinifex, dieren met namen die op bloemen
leken. De zon was iemand die hen tegemoet reed,
pas bij schemer werd hun willen minder,
de weg sloop uit de spiegel, een voorgoed voorbij gevoel.

Nu zouden zij een slaapplaats vinden,
hun naakte lichaam in een ruimte
oprichten zonder houvast.
Alles zelfbedacht, eenzaam
als het begin van iets, gesprek
in een nog niet bestaande taal.

Een kamer vullen met aanwezigheid,
gebaren stemmen, vragen.
Alsof je voor het eerst een engel ziet
en weet dat die niet bestaat,
zijn vleugels gerafeld vol stof en vol schimmel,
met veren te oud voor een vlucht.

Zo ongeveer was het toen de avond viel,
de engel kamde zijn haren,
schikte zijn vleugels die hij niet uit
kon doen, en sliep
in het enige bed.



(3)

getijde


Ik heb het allemaal zelf bedacht:
de dansen, het water,
de auto, het ijs.
Alleen jou, jou heb ik niet bedacht.
Jij was uit de doorzichtige tijd gekomen
misschien zoals ik, misschien anders.
Jij had een miljoen jaar wereld
als een eierschaal achtergelaten
en daar sta je
boven op het bestaande
een vlinder in de winter.
Tot het ogenblik kruimelt, breekt
en ons opvreet
en zichzelf verteert tot de wolk
die zo groot was als alles
en zo groot was als niets


(4)

romantische herfst


schimmig vanavond jaagt die mist de velden
de maan sluipt terug in dodelijke bomen
nu is de grote rafelaar gekomen

een herfst een doodgaan een gekwelde smeekstem
hoor... ademend beweegt de aarde van heimwee
om mensen te bezetten met een adem van verdriet

om koeien zwaar en zwijgend in zich vast te zetten
als schepen, vastgegroeid aan het lichaam van de zee
of de dood, levend aan het gezicht van de mensen,
mééademend, méésprekend.


(5)

aas


poëzie kan nooit over mij gaan,
noch ik over poëzie
ik ben alleen, het gedicht is alleen,
en de rest is van wormen

ik stond aan de straten waar de woorden wonen,
boeken, brieven, berichten,
en wachtte
ik heb altijd gewacht

de woorden, in lichte of duistere vormen,
veranderden mij in een duister of lichter iemand
gedichten passeerden mij
en herkenden zichzelf als een ding

ik kon het zien en me zien
nooit komt er een einde aan deze verslaving
eskaders gedichten zijn op zoek naar hun dichters

ze dwalen zonder commando door het grote
district van de woorden

en verwachten het aas van hun volmaakte,
gesloten, gedichte, gemaakte
en onaantastbare
vorm

(6)

(7)

op de langste weg

niets


op de langste weg liep ik, de weg
die nergens heen gaat. Spelonken, een leeg landschap
met kleuren van zand en stro. Anderen liepen
met mij mee, vrienden, broers, geliefden

en steeds namen zij afscheid, sloegen linksaf
of rechtsaf, verdwenen als schimmen,
elk voor zich eenzaam. Ze keken niet om, ze
kenden hun doel, ze trokken rechte lijnen

in de leegte. Ik zag ze gaan, de mensen
van mijn leven, ze liepen langzaam uit mijn
en hun eigen bestaan. Ik bedacht ze zo lang
ik ze nog zag, hoorde van ver hun stemmen,

geluiden van lucht


het leven
je zou het je moeten kunnen
herinneren
als een buitenlandse reis

en er met vrienden of vriendinnen
over na moeten praten
en zeggen

het was toch wel aardig,
het leven,
en flarden zien van vrouwen, geheimen
en landschappen

en dan tevreden achteroverleunen
maar doden kunnen niet achteroverleunen

en ook verder kunnen ze niets

(8)

trinidad


dit ben ik vaak geweest
een man op een landweg
een man in een vliegtuig
een man met een vrouw

en dit ben ik vaak geweest
een man die zich onder een steen
wou verbergen
om geen licht meer te zien

deze twee mannen
ze dragen mijn koffers
ze lezen mijn kranten
ze verdienen mijn brood

samen trekken we
door het geluid en de lucht van de wereld
op zoek naar het onzichtbare standbeeld
waar ze alledrie opstaan
in de gedaante van één

(9)

en vannacht in de stenen silte


en vannacht, in de stenen stilte
van mijn kamer, het huis op het eiland,
onder het web van sterren, de palmen roerloos,
kwamen die andere stemmen, Auden en Frost
en Elisabeth Bishop, Pound en Cummings
en Sylvia Plath, woorden op mijn schouders,
in mijn haren, tegen de ramen,
dichters, gedichten,
droombeeld, verhaal, getijden
van toen, ooit, nu,
naast me, achter me, op de maat
van de mot tegen het licht, zinnen,
ooit hardop gesproken in een andere ruimte,
nu bij mij binnengelopen
als de omarming van vrienden, de monden
van al deze doden in het middelste
nachtuur,
de adem waarvan ik leef,
en jij