het jongste gedicht staat bovenaan
Informatie
mei
witte nacht
schitterlicht tintellicht
mensjes in de diepte
van oh van oh van aaah
nu niet stilstaan nu geen achterkanten van
decors nu met de hakken op plaveisel klakken
en gelukkig zijn nu moeten wij gelukkig zijn
over mirakels kakelen en zeker weten dat er
niets vergaat dat laat geen later maar een soort
eenvoudig eeuwig met de appeltjes in onze huid
en in en uit de zoete adem en gevangen in de
lichtval van veel koningsgeel en koningsblauw
en koningskoningswetenwijveel en de dood
moet zich gaan schamen in een iel portiekje
want genieten van wat lijven doen met lijven
en wie achterna komt rennen bent u iets
vergeten hoort dit evengoed bij u moet
gauw gelukkig worden want de nacht
is opgehoepeld in dit overkoepeld nu
schitterlicht tintellicht
mensjes in de diepte
van oh van oh van aaah
Joke van Leeuwen
april
briefje bij vertrek
Vannacht sliep je zo vast dat ik er bang van werd. Een lomp
soort liggen dat me niet beviel, zwaar en schaamteloos.
In mijn vingers zwierf het licht.
Dus ben ik opgestaan. Ik heb de glazen afgewassen, de wijn
weer aangevuld, berichten uit je telefoon gewist,
mijn afdruk van je huid geveegd.
Beschouw me als een heel dun laagje verf; daar schildert zelfs
de schaduw overheen. We hebben ons vergist en ook
als jij straks wulps en woelend wakker wordt,
wild en groeizaam kijkt – te laat.
Samenvallen is een daad van worteling. Nu wil ik strijklicht
over resthout zijn, nesten in de gracht gebouwd uit
plastic tassen, lege flessen, winterharde dingen
zachter wassen, wiegen in de grond.
Zo roerloos als jij was vannacht – het past me niet.
De straten waar ik heen moet zolang de kaalslag
voortsleept, de bedden, ritselende struiken,
danspassen de stoep af, zingende
gekken onder je raam,
zoveel te wentelen, op te wekken, af te gaan.
Ester Naomi Perquin
maart
stilleven
Het is maart. Het regent.
Het huis is leeg op een kater na.
Hij slaapt, wat het huis leger maakt.
Het is maart, het regent en
het huis is leeg. Ik zet woorden op
papier. Ik zet ze neer als bloemen
in een vaas. Maart, huis, leeg.
En ertussen, voor de steun, regen.
De druppels houden aan, kliederen
van het raam. Het is maart
en ik plaats een vaas: lelies,
kattenstaart en uitschieters als gras.
Alles houdt elkaar op zijn plaats.
De kater het huis. De regen het raam
en maart deze woorden: wij bestaan.
Max Temmerman
februari
voornemen
Je hebt je dingen voorgenomen. Zo te worden, zo niet te zullen zijn,
méér van dat ene of juist dry om er vanaf te komen, de scherpe boordjes,
het roken, de verdoving. Eindelijk zul je op tijd
dus tel je eenheden, cijfers, wijzers, je houdt vol en bindt in
verliest het overbodige — en de betovering, je bidt
en dan kom ik. Een holte, een pitstop
uit het zicht van de kijktoren.
In mij ontspruit zich alleen ondergronds
wat eetbaar is, in mij sneeuwt regen
in mij draagt iedereen een masker
om terug te keren in zichzelf.
Lize Spit
januari
aan de haard
we hebben afgesproken dat iets weer begint
een nieuw vermoeden volgens oude wetten
we zetten ons rond vuur dat proppen krant
waarin vanuit nepgouden zachte stoelen
hardheid was aangezegd tot as verslindt
we schuilen voor de wind die blossen blaast
op kille huid, die waait van wat geweest
van wat wellicht, van liefgehad terwijl
het buiten broeide, van dat wij evenzeer
van sterrenstof zijn als de keukenkast
als het behang waarin de ogen van een kind
zien wat die nog niet snappen, en kijk het spul
voor volgend feest ligt nu al schuchter op
de schappen, we hebben afgesproken dat
heel dat alweer alweer als nieuw begint
de nachten hangen half over de dagen
en ondergronds wringt alles van het wroeten
pianovingers vinden op het laatst hogere
toetsen, wit getinkel of het groeten van
een heggenmus die al van lente zingt
Joke van Leeuwen