aan de haard
we hebben afgesproken dat iets weer begint
een nieuw vermoeden volgens oude wetten
we zetten ons rond vuur dat proppen krant
waarin vanuit nepgouden zachte stoelen
hardheid was aangezegd tot as verslindt
we schuilen voor de wind die blossen blaast
op kille huid, die waait van wat geweest
van wat wellicht, van liefgehad terwijl
het buiten broeide, van dat wij evenzeer
van sterrenstof zijn als de keukenkast
als het behang waarin de ogen van een kind
zien wat die nog niet snappen, en kijk het spul
voor volgend feest ligt nu al schuchter op
de schappen, we hebben afgesproken dat
heel dat alweer alweer als nieuw begint
de nachten hangen half over de dagen
en ondergronds wringt alles van het wroeten
pianovingers vinden op het laatst hogere
toetsen, wit getinkel of het groeten van
een heggenmus die al van lente zingt
Joke van Leeuwen